Enkele informatie aangaande het participeren

Meer sociaal dan politiek burgerschap!

RECENSIE Het sociale burgerschap leeft

Er is momenteel een opleving van sociaal burgerschap, die niet te herleiden is tot pogingen van staatswege om burgers voor beleidsdoelen in te zetten, zo leest Nico de Boer in het proefschift van Menno Hurenkamp.

Burger zijn is aan het begin van de 21ste eeuw best een omstreden dingetje geworden. Ben je als sociaal actieve burger nu onderdeel van een tegenbeweging die een eind maakt aan de verkalkte structuren van de verzorgingsstaat om het eindelijk zelf te gaan doen? Of ben je het gekke Gerritje dat zich door de overheid laat inzetten om bezuinigingen op broodnodige voorzieningen te realiseren?

Publicist/onderzoeker (en ex-hoofdredacteur van dit blad) Menno Hurenkamp heeft op dit terrein de afgelopen jaren al een hele reeks onderzoeken gedaan, denk aan Kiezen voor de kudde – Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid uit 2004 en recenterMontessoridemocratie’. Die onderzoeken bundelt hij in zijn proefschrift Met opgeheven hoofd – sociaal burgerschap aan het begin van de 21ste eeuw’.

Rechten, rechten, rechten

In het theoretisch kader dat Hurenkamp ons aanreikt speelt de Britse socioloog T.H. Marshall de hoofdrol. Die vatte enkele decennia geleden de ontwikkeling van burgerschap samen in een befaamde driedeling. In een notendop: in de 18de eeuw kregen we juridische rechten (sic), in de 19de politieke rechten en in de 20ste sociale rechten. Burgerschap met sociale rechten vormt de basis van de naoorlogse verzorgingsstaat.

Dat is echter – zo laat Hurenkamp zien – niet het einde van de geschiedenis, want dat type burgerschap is altijd omstreden gebleven. Burgers zouden zich in hun individuele rechten verschansen en zich al calculerend steeds passiever opstellen. Op dat probleem kwamen twee antwoorden. Het ene luidde: als de schil van rechten de burger passief en minder sociaal maken, moeten we die schil dunner maken. Dat wil zeggen: minder sociale rechten, waarna de burger vanzelf weer aan de slag gaat. Het andere antwoord mikt juist op een betere toerusting van burgers om zich sociaal te manifesteren: als we burgers leren betere burgers te zijn, neemt het beroep op sociale rechten vanzelf af.

Er is sprake van een opleving van sociaal burgerschap

Met die bril herneemt Hurenkamp zijn eerdere onderzoeken: beeldvorming over sociaal burger­schap in de kranten tussen 1995 en 2012, een analyse van maar liefst 386 burgerinitiatieven in Nederland, focusgroepen over wat burgerschap in de praktijk voor burgers zelf inhoudt en ten slotte 54 diepte-interviews over hoop en vrees in het dagelijks leven van gewone Nederlanders. Een van de inzichten waartoe dat leidt, is dat er momenteel écht sprake is van een opleving van sociaal burgerschap, die niet te herleiden is tot pogingen van staatswege om burgers voor beleidsdoelen in te zetten.

Meer sociaal dan politiek burgerschap

Een tweede is, dat sociaal burgerschap momenteel beter tot zijn recht komt in het sociale dan in het politieke. Met medeburgers samen het dagelijks leven in wijken aangenamer inrichten lukt aardig, politieke participatie blijft achter. Dat maakt dat de staat toch te veel buiten schot blijft. Zo blijft ‘het breed bejubelde kleinschalige burgerschap steken in verlegenheid, ergernis en terugtrekkende bewegingen’ (p238). Om daar verandering in te brengen, pleit Hurenkamp ervoor dat burgers meer ruimte krijgen om ‘met opgeheven hoofd’ burgerschap ook politiek vorm te geven. Met dat motto herneemt Hurenkamp de woorden die minister Klompé in de jaren zestig van de vorige eeuw gebruikte om haar Algemene Bijstandswet te verdedigen. Net zo min als sociale rechten destijds zijn politieke rechten een gunst.

Gejuridiseerd burgerschap

Hurenkamp levert al jaren indrukwekkende bijdragen aan het debat over burgerschap in ons land. Zijn afzonderlijke onderzoeken overtuigen echter meer dan de samenballing in zijn proefschrift. Voor een groot deel komt dat door een dubbelzinnig gebruik van het begrip ‘sociaal burgerschap’. Soms slaat het op sociaal gedrag van burgers, vaker op burgerschap dat in de 20ste eeuw met sociale rechten is omkleed. Dat laatste zou beter te typeren zijn als ‘gejuridiseerd burgerschap’. Het is immers veeleer die juridisering dan het sociale karakter dat burgerschap volgens de critici omstreden maakt. En het voorkomt dat met het badwater het sociaal burgerschap wordt weggegooid.

Nico de Boer is zelfstandig publicist. Hij richt zich vooral op beleidsontwikkeling en onderzoek in de sociale sector.

Menno Hurenkamp, Met opgeheven hoofd – sociaal burgerschap aan het begin van de 21ste eeuw’ is met ISBN 978-94-61-64662-0 uitgegeven bij Van Gennep.

Informatiebron: Sociale vraagstukken

Participatiewet - gevolgen voor de gemeentes

Hieronder de gevolgen voor de gemeente.

Om de uitkeringen te betalen krijgen de gemeentes met de komst van de Participatiewet jaarlijks een vast budget. Gemeentes worden op die manier zelf verantwoordelijk voor een financieel tekort of besparing. Dit vormt een prikkel voor gemeentes om het aantal mensen dat een Participatiewet uitkering ontvangt zo laag mogelijk te houden.

Naast het budget om de uitkeringen te betalen krijgen de gemeenten een gebundeld re-integratiebudget waarin de budgetten bestemd voor de Wwb, de Wsw en de Wajong, (deels) worden samengevoegd. 

Nieuw beschut

Gemeentes worden verantwoordelijk gesteld voor het begeleiden en ondersteunen van jonggehandicapten naar werk. Gemeenten kunnen hierin gebruik maken van de voorziening nieuw beschut. Ook komt uit het inkomensdeel Wwbbudget beschikbaar om de loonkostensubsidie uit te keren aan werkgevers. 

Er zullen gekoppeld aan de 35 arbeidsmarktregio's werkbedrijven worden opgericht. Hierin zullen gemeenten in samenwerking met werkgevers en werknemers, proberen zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking in reguliere bedrijven aan een werkplek te helpen. De werkbedrijven gaan zoveel mogelijk aansluiten op de al bestaande samenwerkingsverbanden, en zullen niet de huidige sociale werkplaatsen vervangen.

In het sociaal akkoord is ook vastgesteld dat er extra banen moeten worden gecreëerd. In 2025 zal dit moeten gaan om in totaal 125.000 banen, waarvan 25.000 voor rekening van de overheid vallen. Hoe deze banengarantie over de verschillende arbeidsmarktregio's verdeelt zullen gaan worden is nog niet bekend. Op dit moment is de verwachting dat eerst 2014 (waarin 5000 extra arbeidsplaatsen vrij zouden komen) en 2015 worden gemonitord, en aan de hand daarvan de quotumwet en eventuele sancties voor het niet nakomen hiervan worden vastgesteld.

Er zal vanaf 1 januari geen instroom meer plaatsvinden in de Wsw. Er blijft echter wel een doelgroep voor een dergelijke voorziening bestaan. Verwacht wordt dat de nieuwe stroom aan arbeidsgehandicapten die voorheen in de Wsw zouden komen, in twee groepen worden opgesplitst: een deel valt onder de nieuwe voorziening beschut werk (naar verwachting eenderde van deze groep), een ander deel komt terecht bij een reguliere werkgever met ondersteuning op de werkplek (bijvoorbeeld door aanpassingen op de werkplek of loonkostensubsidie) Er is beloofd aan de Tweede Kamer dat er landelijk 30.000 plekken komen voor de voorziening nieuw beschut werk. Per medewerker in deze voorziening ontvangt de gemeente een bepaald budget.

Met de invoering kunnen alleen de mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn nog in de Wajong terecht komen. De rest van de mensen zal door het UWV worden begeleidt naar werk. Het zittend bestand van de Wajong wordt daarnaast herkeurd. Ook de deze geherindiceerde Wajongers met arbeidsvermogen uit deze groep zullen onder verantwoordelijkheid van de gemeentes gaan vallen. Landelijk zal het hier gaan om een groep van 65.000 mensen die tussen 2015 en 2018 van de UWV zullen overgaan naar de gemeentes. 

Informatiebron: www.participatienieuws.nl

 

Participatiewet - Veranderingen

Welke veranderingen brengt de Participatiewet met zich mee? 

Er worden in Nederland drie grote decentralisaties voorbereidt; de Participatiewet, de Jeugdzorg en de Maatschappelijke ondersteuning;

•De mensen die nu al een Wajonguitkering ontvangen en arbeidsvermogen hebben vallen buiten de Participatiewet. Het UWV blijft hun re-integratie verzorgen en zij komen in tegenstelling tot de nieuwe jonggehandicapten niet in de bijstand terecht. Voor de re-integratie van deze groep behoudt het UWV een deel van de middelen. De overige re-integratiebudgetten en huidige Wswsubsidie vormen samen het Participatiebudget;

•Doel is om op dit Participatiebudget op termijn 1,3 miljard te bezuinigen. Concreet betekent dit voor Wsw'ers dat het subsidiebedrag van € 27.000 ,- zal dalen tot een bedrag van € 22.700,-; 

•Er zal per 1 januari 2015 geen instroom in de Wsw meer plaatsvinden. De huidige groep houdt hun plek, rechten en plichten. Er is geld gereserveerd 30.000 beschutte werkplekken te behouden. De beschut werkenden zullen een arbeidsovereenkomst krijgen en in ieder geval 100% van het Wettelijk Minimumloon verdienen. De precieze regelgeving rond beschut werk worden momenteel nog in de kamer behandelt via een voorhangprocedure;

•Nieuwe jonggehandicapten die over arbeidsvermogen beschikken gaan onder de verantwoordelijkheid van de gemeentes vallen en komen in de bijstand terecht. Zoals het UWV dat hiervoor had is het de taak van de gemeentes vanaf 1 januari om deze mensen te ondersteunen en te begeleiden om weer aan het werk te gaan;

•Als iemand door zijn beperking niet in staat is het minimumloon te verdienen zal de gemeente de werkgever van de jongehandicapte compenseren. Deze compensatie loonkostensubsidie is een aanvulling tot het minimumloon. Deze loonkostensubsidie vervangt het in de eerdere Wet werken naar vermogen opgenomen instrument loondispensatie; 

•Voor de jonggehandicapten met arbeidsvermogen moeten werkplaatsen worden gerealiseerd. 2014 geldt als proefjaar waarin is toegezegd dat er 5000 extra banen worden gerealiseerd. Dit moet oplopen naar 125.000 werkplekken in 2025, waarvan de overheid zichzelf tot doel heeft gesteld 25.000 arbeidsplaatsen te creëren. Als het realiseren van deze arbeidsplaatsen niet lukt zal een quotum worden ingesteld, en op termijn zullen er ook boetes worden opgelegd als dit quotum niet wordt behaald. reguliere organisaties kunnen dit quotum voorkomen door in 2017 5000 meer banen te hebben vrijgesteld dan afgesproken in het sociaal akkoord. 

•Deze arbeidsplaatsen gaan de eerste jaren met voorrang naar mensen met een Wajonguitkering of Wswindicatie. Wie voorrang krijgt wordt door het UWV bepaalt. Zij geven hiervoor een indicatie af waarvan de criteria in een wettelijke regeling als onderdeel van de Quotumwet komen. De loonwaarde van een jonggehandicapte (en dus de eerder genoemde subsidie die een werkgever ontvangt) wordt bepaald door het Werkbedrijf in samenspraak met de werkgever.

•De Quotumwet zal op zijn vroegst in 2017 in werking treden. In 2016 wordt samen met de sociale partners gekeken of het aantal toegezegde garantiebanen ook daadwerkelijk is gerealiseerd.

•In Nederland kennen we 35 arbeidsmarktregio's die elk een Werkbedrijf krijgen. Deze zullen de werkzoekenden verbonden met de door werkgevers gerealiseerde banen. Ook krijgen de Werkbedrijven een regiefunctie om een basispakket aan functionaliteiten te realiseren.

Bekijk ook de andere artikelen op deze website voor meer informatie over de veranderingen per doelgroep.

Informatiebron: www.participatienieuws.nl

Hallo!
Probeer uw eigen website te maken, net als ik! Het is makkelijk en u kunt het gratis proberen
ADVERTENTIE